1Mensen
Stuur één bericht
Je hoeft niet eerst uit te leggen waarom. Stuur bijvoorbeeld: “Ik heb nu veel drang om mezelf pijn te doen. Wil je bij me komen of me bellen?” Je mag ook een afgesproken woord of emoji gebruiken. Vraag op een rustig moment met wie je dit kunt afspreken.
2Gedachten
Gedachten opmerken
Wat zegt je hoofd op dit moment tegen je? Bijvoorbeeld: “Ik ben waardeloos”. Zeg nu hardop tegen jezelf: “Ik heb de gedachte dat ik waardeloos ben” en daarna “Ik merk op dat ik de gedachte heb dat ik waardeloos ben”. Herhaal dit een paar keer.
Misschien merk je dat de gedachte zo iets anders voelt, alsof hij verder bij je vandaan staat. Voelt de gedachte hetzelfde? Dat is ook goed. Je kunt oefenen met je gedachten op te merken en ondertussen een veilige stap te zetten.
3Gedachten
Laat gedachten voorbijdrijven als wolken
Kijk naar de lucht, of misschien kun je je voorstellen dat jij de lucht bent. Zie elke gedachte als een wolk die langskomt. Je hoeft er niets mee te doen en je hoeft ze niet weg te duwen. Zie ze komen en zie ze gaan. Sommige wolken blijven ook wat langer hangen. De wolken hoeven niet te verplaatsen. Jij bent de lucht en de wolken zijn tijdelijk.
4Gedachten
Geef het verhaal een naam
Merk op wat je hoofd aan het vertellen is. Bijvoorbeeld: “Het gaat nooit meer goed” of “Ik ben een mislukking”. Zeg: “Daar is het doemverhaal weer.” Of: “Mijn hoofd vertelt me nu het ‘ik ben niet goed genoeg’-verhaal.” Je hoeft het niet te geloven en niet te weerleggen. Jij bent degene die dit verhaal opmerkt, je bent dit verhaal niet.
5Schrijven
Zet je gedachten op papier
Pak een pen en papier en schrijf een minuut lang door, zonder na te denken. Het hoeft niet te kloppen of mooi te zijn. Schrijf alles op wat er in je hoofd zit. Kijk daarna naar het papier: dit zijn gedachten, geschreven in woorden. Je mag het papier bewaren of scheuren.
6Lichaam
Waar zit het in je lichaam?
Sluit je ogen of kijk naar een vast punt ergens in de ruimte. Ga na waar je het gevoel in je lichaam merkt: je borst, buik, keel of handen. Merk op hoe het voelt: warm, koud, hard of iets heel anders. Je mag je er een vorm bij voorstellen of een kleur, maar dat hoeft niet. Misschien zie je het zo voor je of misschien is het heel vaag. Alles is oké. Adem rustig om die plek heen, zonder hem te veranderen. Je maakt er ruimte voor, je probeert het niet weg te duwen. Wanneer je het gevoel opmerkt en het wordt te veel, kun je altijd even stoppen en om je heen kijken.
7Gevoel
Laat de golf komen en gaan
Een neiging werkt vaak als een golf: hij komt op, wordt sterker en zakt daarna weer. Zeg: “Ik merk de golf, ik hoef de drang nu niet te volgen en ik kan ondertussen steun zoeken.” Zet een timer op 30 seconden en blijf in die tijd bij je voeten of je adem. Doe dit liefst met iemand erbij. Wordt de golf te sterk en voel je je onveilig? Stop de oefening dan en zoek meteen iemand op. Je hoeft dit niet alleen te dragen.
8Gevoel
Laat jezelf huilen
Als er tranen komen, hoef je ze niet tegen te houden. En als er geen tranen komen, is dat ook helemaal goed. Je hoeft niets los te maken. Zoek een plek waar je je veilig voelt. Zeg tegen jezelf: “Het mag er zijn.” Tranen doen het gevoel niet altijd direct verdwijnen, maar ze kunnen wel iets van verlichting brengen. Wil je steun? Vraag of iemand bij je kan komen zitten.
9Gevoel
Geef je gevoel een vorm
Pak pen en papier, klei of een krijtje. Teken je gevoel zoals het nu is: met kleuren, lijnen of een kladje. Of schrijf een paar regels, zonder dat het mooi hoeft. Het doel is niet om het op te lossen. Het doel is dat je het gevoel even buiten jezelf kunt zien.
10Zintuigen
Onderzoek één voorwerp
Kies iets in de kamer, bijvoorbeeld een beker, een sleutel of een plant. Bekijk het een minuut alsof je het voor het eerst ziet. Hoe zwaar is het? Welke kleur, welke rand, welk oppervlak? Beschrijf het zo gedetailleerd mogelijk. Dwaalt je aandacht af? Breng die rustig terug naar het voorwerp.
11Hier en nu
Waar ben ik, welke dag is het?
Zeg of schrijf op: “Het is [dag], het is [tijd]. Ik zit in [kamer] in [plaats]. Ik ben [leeftijd]. Ik voel de stoel onder me. Het is nu, en ik ben hier.” Dit helpt vooral als je het gevoel hebt dat je wegzakt of er niet helemaal bij bent.
12Beweging
Loop met aandacht
Ga naar buiten of loop door je huis. Let op het ritme van je voeten. Zie wat er om je heen is: bomen, licht, de lucht, de patronen van de stoeptegels. Loop langzamer dan normaal. Merk op wat je ziet, hoort en ruikt. Als je gedachten afdwalen, breng je ze zacht terug naar je voeten. Ga samen als alleen zijn nu niet helpt.
13Zelfzorg
Wat zou je tegen een vriend zeggen?
Stel je voor dat een goede vriend dit zo moeilijk heeft als jij nu. Wat zou je zeggen? Zeg dat nu tegen jezelf, hardop of in gedachten. Bijvoorbeeld: “Dit is zwaar. Je doet je best. Je hoeft dit niet alleen te doen.”
14Kleine stap
Zet één kleine stap
Kies iets kleins dat bij iets belangrijks hoort. Bijvoorbeeld: een kaartje maken voor iemand, een berichtje sturen, iets kleins afmaken of een plant water geven. Het hoeft niet groot te zijn. Het gaat erom dat je, ook met dit gevoel erbij, één ding doet dat bij jou past. Je hoeft het ook niet af te maken, even beginnen mag genoeg zijn.
15Muziek
Luister en blijf in contact
Kies vooraf een nummer dat je helpt om aanwezig te blijven. Luister naar één instrument of tik zacht het ritme mee. Merk ook de kamer om je heen op. Maakt het nummer de drang sterker? Wissel van muziek of zoek iemand op.
16Muziek
Maak een klein geluid
Neurie, tik een eenvoudig ritme op tafel of speel een paar tonen. Het hoeft nergens op te lijken. Merk het geluid op en hoe het voelt om het te maken. Je mag iemand vragen mee te doen.
17Zintuigen
Pak iets zachts
Pak een deken, kussen of knuffel. Voel de stof met je handen. Kijk tegelijk om je heen. Vraag jezelf: “Wat zou mij nu nog wat steun geven?” Misschien is dat iemand die naast je komt zitten.